Publicatie
Grip op plausibiliteit
26 aug 2026
Plausibiliteit als fundament onder een evenwichtige transitie én verantwoorde besluitvorming daarna
Bij de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gaat er veel aandacht uit naar het evenwichtigheidsdossier, waarbij de transitieberekeningen centraal staan. Het is van belang dat pensioenfondsen de plausibiliteit van de transitieberekeningen voldoende borgen. Onjuiste berekeningen kunnen immers leiden tot een onjuiste evenwichtigheidsbeoordeling. Dit kan er zelfs toe leiden dat op het invaarmoment een verkeerde invaarverdeling wordt toegepast. De relevantie van plausibiliteit beperkt zich bovendien niet tot het invaarmoment zelf. Ook ná de transitie blijven modelberekeningen een belangrijke rol spelen bij de inrichting en uitvoering van beleid binnen het nieuwe pensioenstelsel. Het borgen van de plausibiliteit van berekeningen zal daarom ook in de toekomst relevant blijven.
In het invaartraject met De Nederlandsche Bank (DNB) kunnen door de toezichthouder diverse vragen over de plausibiliteit van de berekeningen worden gesteld. DNB neemt een invaarmelding pas inhoudelijk in behandeling wanneer voldoende zekerheid bestaat dat de beoordeling niet plaatsvindt op basis van mogelijk onjuiste uitkomsten. De praktijk laat zien dat de vragen van DNB vaak verder reiken dan de plausibiliteitscontroles zoals beschreven in de Good Practice van DNB. Hierdoor is het voor fondsen niet altijd eenvoudig vast te stellen welke stappen nog genomen moeten worden om – ook in de ogen van DNB – te zorgen voor een goed onderbouwd plausibiliteitsdossier.
“Plausibiliteit is meer dan het uitvoeren van plausibiliteitscontroles. Inzicht in de onderdelen die de plausibiliteit bepalen, draagt bij aan een efficiënt en zorgvuldig invaartraject.”
Dat maakt plausibiliteit meer dan een toets op rekenkundige juistheid. Het gaat om het geheel van modellen, aannames, processen en controles waarmee het fonds aantoont dat de berekende transitie-effecten een realistische en juiste basis vormen voor de belangenafweging. Daarbij gaat het niet alleen om de juistheid van de uitkomsten, maar ook om de vraag of de gehanteerde aannames een realistisch en evenwichtig beeld van de toekomstige ontwikkeling van het pensioenfonds geven.
Daarom beschouwen wij plausibiliteit niet als een controle aan het einde van het invaartraject, maar juist als stap één in het proces om de evenwichtigheid van de transitie te beoordelen. In dit artikel bespreken wij de vier bouwstenen van plausibiliteit: modelvalidatie, modeluitgangspunten, plausibiliteitscontroles en procesvalidatie. Figuur 1 geeft deze bouwstenen en de bijbehorende aandachtspunten schematisch weer. Centraal hierbij staat de gedachte dat betrouwbare berekeningen voortkomen uit correcte modellen, realistische uitgangspunten, zorgvuldig gebruik van de modellen en een gedegen beoordeling van de plausibiliteit van de uitkomsten. Hoewel alle vier de bouwstenen van belang zijn, focussen wij in dit artikel op modeluitgangspunten en plausibiliteitscontroles. De ervaring leert dat juist deze onderdelen veel aandacht krijgen van DNB tijdens de beoordeling van het invaardossier.
Figuur 1: de vier bouwstenen van plausibiliteitsborging bij transitieberekeningen
Modeluitgangspunten
Een model en de daaruit voortvloeiende uitkomsten zijn slechts zo plausibel als de uitgangspunten waarop zij zijn gebaseerd. Wanneer langetermijnaannames niet realistisch zijn of onvoldoende aansluiten bij het beleid en de kenmerken van het fonds, kunnen de resultaten niet overtuigend worden gebruikt voor de evenwichtigheidsbeoordeling. Dit geldt bijvoorbeeld voor aannames over de ontwikkeling van het deelnemersbestand en maatmensberekeningen, het premiebeleid (inclusief de begrenzing van de premiedekkingsgraad en eventuele premieholidays bij hoge dekkingsgraden) en de toepassing van de indexatie-AMvB.
Ons advies is daarom: Houd de inrichting van de (lange termijn) uitgangspunten nog eens goed tegen het licht. Het fondsbeleid in het FTK is doorgaans niet voor ieder denkbaar financieel-economisch scenario uitgewerkt in de Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (ABTN). Juist door vooraf duidelijke kaders vast te stellen, worden uitkomsten beter uitlegbaar en blijven ook de langetermijnresultaten van de transitieberekeningen plausibel. Zonder deze exercitie bestaat het risico dat het pensioenfonds pas in een laat stadium vragen of opmerkingen van DNB ontvangt over de gehanteerde uitgangspunten, die aanleiding kunnen geven om deze uitgangspunten aan te passen. In dat geval moeten onder hoge tijdsdruk alle berekeningen in het kader van de complete besluitvorming worden herzien en moeten besluitvormingsdocumenten worden aangepast, wat de efficiëntie en beheersbaarheid van het traject niet ten goede komt. Laat staan het humeur van de betrokken bestuurders en medewerkers.
Plausibiliteitscontroles
In de marktpraktijk gaan plausibiliteitscontroles inmiddels verder dan de controles uit de DNB Good Practice (standaardfout netto profijt, zero-sum controle, rentegevoeligheid en vermogensaansluiting). De nadruk ligt steeds meer op de decompositie van netto profijt: waar komen de effecten vandaan en kan het fonds goed uitleggen waarom de uitkomsten zijn zoals ze zijn? Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt welke effecten voortkomen uit verschillen tussen het huidige en nieuwe pensioenstelsel en welke effecten het gevolg zijn van transitiekeuzes, zoals compensatie, de inrichting van reserves of vermogensverschuivingen. Ook wordt beoordeeld hoe deze effecten veranderen onder verschillende economische omstandigheden, zoals andere rente- en dekkingsgraadniveaus.
Door netto-profijteffecten stapsgewijs te ontleden, ontstaat zicht op de belangrijkste oorzaken van de uitkomsten. Dat draagt niet alleen bij aan de beoordeling van de plausibiliteit, maar ook aan de bestuurlijke besluitvorming. Het bestuur kan een discussie voeren over de herkomst van de effecten en kan op basis van deze inzichten besluiten om de inrichting van de bestuurlijke instrumenten te heroverwegen.
Het borgen van de plausibiliteit speelt zowel bij het invaren als ná de transitie een belangrijke rol. Denk bijvoorbeeld aan berekeningen bij CWO-trajecten, ALM-studies, risicohouding monitoring, URM en UPO-bedragen.
Tot slot merken wij nog op dat – ook als alle stappen goed zijn doorlopen en de plausibiliteit op orde is – het belangrijk is om te beseffen dat het gaat om modellen die gebaseerd zijn op wetenschappelijke theorieën. Ook in de modellen zit statistische onzekerheid en daarnaast geven uitkomsten uit het verleden geen garanties voor de toekomst. De modellen en uitkomsten zouden vooral ter ondersteuning van de onderbouwing van de besluitvorming moeten dienen, en dus niet leidend moeten zijn. Het bestuur blijft aan het stuur.
“De modellen en uitkomsten zouden ter ondersteuning van de onderbouwing van de besluitvorming moeten dienen en niet leidend moeten zijn.”
Van plausibiliteitsdossier naar bestuurlijke grip
Wij denken graag mee bij het expliciteren, onderbouwen en toetsen van aannames rondom bijvoorbeeld premiebeleid, maatmens- en bestandsontwikkelingen, de toepassing van de indexatie-AMvB en andere beleidskeuzes. Dit versterkt het plausibiliteitsdossier en vergroot de bestuurlijke grip op de transitie-effecten én op vraagstukken daarna, zoals de borging van plausibiliteit tijdens CWO-trajecten of ALM-studies.
Wilt u hierover verder van gedachte wisselen?
Neem gerust contact op met Martin Bakker via Martin.Bakker@Sprenkels.nl of +31 (0)6 83 145 630.
Meer weten over onze multidisciplinaire dienstverlening?
Ontdek hoe onze verschillende kennisdomeinen bijdragen aan vraagstukken rondom de pensioentransitie en de periode daarna:
- Actuariaat
- Communicatie & Reputatie
- Data & AI
- Investment
- Legal
- Riskmanagement
- Transitie- & Projectmanagement